Gedichten

Hier vindt u een selectie van gedichten die ik in de loop der tijd schreef. Ik schrijf vooral graag gedichten op verzoek, waarbij ik inspiratie vind in het onderwerp dat u aandraagt. Meer weten? Neem gerust CONTACT met me op. Voor gepersonaliseerde sinterklaasgedichten op verzoek heb ik www.eenhelepiet.nl.

Nieuw

Van de vele jaren vrede
was ik moegestreden, slap
Mijn wankel wensen te vernieuwen
dreef mij tot mijn eerste stap

Behoedzaam tastte ik naar buiten
uit de luwte van mijn hol
Eerst mijn linkervoet, de rechter –
heel mijn lijf verwachtingsvol,

alsof ik tintelde van wellust
op het leven zelf gericht
Ik wou schuren aan de vrijheid,
zoenen met het zondagslicht

Met mijn dorst zou ik wild dansen
en mijn honger had ik lief,
ik snoof de geur van frisgroen gras
vol dol verlangen, obsessief

Ik zou ontploffen tot confetti,
hier lag vuurwerk in ’t verschiet
ik mocht trouwen met het al
en schalde luid mijn bruiloftslied

©2017

Klaprozen

Vandaag loop ik de velden af
van mijn herinnering
Daar waar ik me ’t liefst begaf
voel ik een siddering

en zie de weide weer vol jou,
je armen wijd om lief te kozen
Geen zwarte grond, geklapte rozen:
groen het gras, de lucht felblauw

Bewogen ben ik teruggekeerd
in ’t heden en weer op mijn schreden
Er heerst stilte in het hof van Eden,
bevroren en geconserveerd

Maar licht doordringt elk klaproosblad,
verheft het veld tot lampionnen,
zee van duizend lentezonnen
daar waar ik jou heb liefgehad

©2004

De gelaarsde kater

Waar katers meestal rustig zijn
en zelfs wat ingetogen –
spinnend op de vensterbank
met toegeknepen ogen –

was Léon daar niet van gediend,
hem leek dat klein geluk gênant
Want Léon was, hoe zal ik ’t zeggen…
een tikje flamboyant

Nooit liep hij met een halsband om,
zelfs niet als je ’t aardig vroeg
Maar erger misgreep was nog wel
dat Léon laarzen droeg

Welnee, geen gele rubberen,
en moonboots had hij ook niet meer:
Léon liep op cowboylaarzen
van glimmend zwart en hoerig leer

’s Nachts kon je hem vinden
langs de grachten van de stad,
gearmd met sexy dartelpoezen
die hij allen had gehad

Daar zoop hij hele flessen whisky
puur, of soms ook on the rocks
En hoorde hij een hond bang blaffen
dan riep hij valsjes “Underdogs!”

Die Léon had het voor mekaar –
sex en drugs en rock-‘n-roll,
En als hij ooit een kater had?
Dan kwam dat door de alcohol

©2003

Slagroom zonder suiker

Na al die maanden waren we weer samen
We praatten weer en lachten als voorheen
Ik kon jouw visies altijd nog beamen,
jij leek het meest op mij van iedereen

Voor buitenstaanders leek het vast ontspannen –
twee jonge mensen in een grand-café
maar ik moest me met alle macht vermannen
toen jij voorzichtig nipte van je thee

Die lippen zijn voorgoed niet meer van mij
Ik hoor alleen de woorden die ze vormen
We waren het weer eens: het is voorbij,
gedoofd, geluwd zijn onze wervelstormen

Maar toen in onze zinnen onverwacht
jouw ogen op de mijne kwamen rusten
verstomde ook bij jou opeens de lach
waarmee je vroeger steeds mijn wangen kuste

Onthutst en zwijgend staarden we omlaag
– de houten tafel die ons lichaam scheiddde –
ik voelde dat jij minstens net zo graag
hem omwierp en weer met me vrijde

maar daarvoor was het nu beslist te laat.
We spraken af voor weer een keer, misschien
Gewoon bepraten hoe het met ons gaat
We wachten af, ik moet het nog maar zien

Want liefste van weleer, ik weet het best,
al merk ik dat ik er het liefst voor wegkruip:
woorden zijn, verstoken van de rest,
een gemiste kans – als douchen in een badkuip

Voor Guido Lankamp
27-8-1975 / 17-3-2002

©2002

Vrouwen in bad

Hoe schoon moesten we zijn!
toen we, bevrijd nu van gewaden
en sieraden, door rode wijn
beneveld samen baadden

Ik zag jouw borsten drijven
zoals de mijne wiegend deden –
glanzend als olijven
oh vier zachte heerlijkheden…

De glooiing van je dijen
door ’t water licht verstrooid
lieten mij het lot beschreien
van de vrouw die nooit ontplooit

Die nooit ’t licht gezien heeft
dat de spiegel haar weerkaatst,
van het wezen dat zich blootgeeft
als het mooist en delicaatst

Ooit hield ik nog van mannen
en aanbad hun kracht en lid
Nu wens ik ze te bannen,
raak door dames meer verhit

Zoet is de liefde die
– uit naam van onze minnegod –
mij ondanks pruderie
wist te bekeren tot een pot

©2001

Zeeman

Hoe wreed het dan ook moge lijken
dat ik weg ga, zo ver weg
dat ik niet meer naar jou kan kijken,
dat jij ’t niet hoort als ik iets zeg

– van lieve woordjes, zacht gepreveld,
zoete zotheid, licht beneveld,
wanhoopskreten in jouw oor,
jij zielsverwant, aan wie ‘k behoor –

toch moet ik gaan naar kille plaatsen
woon ik in een huis ontheemd,
leef ik eenzaam als melaatse,
van warmte, ook van liefde vreemd

Maar waar dan ook mijn wil mij voert,
hoezeer dan ook door smart verweerd
ooit kom ik met een hart vervoerd
door liefde naar jou teruggekeerd

©1996

Bierballade

Oh bierbeluste drinker, geef een feest!
en laat u daarbij door geen wet beletten
doch zorg dat u toch eerst mijn leidraad leest,
zij biedt u meer aan houvast dan de wetten.

Ik zeg het u meteen: maak korte metten
met ieder die na koelkast plannen had
de drank in tuin of op balkon te zetten:
Geen bier blijft beter koud dan dat in ’t bad.

Wellicht drinkt u vannacht het allermeest,
en rookt u ook de meeste sigaretten:
ach wat! het is uw nacht, wees niet bevreesd
u zult de boel nadien toch gaan ontsmetten

Uiteindelijk vervalt men tot skeletten,
dus ga maar door, neem rustig nog een krat!
Heb lak aan losgeweekte etiketten:
Geen bier blijft beter koud dan dat in ’t bad.

Een mens is op zijn tijd welhaast een beest,
hij schiet met scherp of heft de bajonetten.
Ik denk dat hij van slechtheid nooit geneest
al schreeuwt men nog zo hard van minaretten,

al dreigt men met vergif of met pincetten:
men krijgt hem nimmer op het rechte pad.
Probeer er nog een flesje bij te pletten:
Geen bier blijft beter koud dan dat in ’t bad.

Och kon ik het maar roepen in sonnetten!
maar daarvoor is het toch misschien te plat.
Ik roep het nog éénmaal, ’t lijkt wel kwartetten –
Geen bier blijft beter koud dan dat in ’t bad!

©2001

Moestuin

In prei en bonen
wil ik wonen
in een moestuin
klein geluk
Heel het leven
zie ik even:
van ontspruiten
tot ik pluk

En mijn handen
zijn de goden
in mijn kleine
paradijs.
Als ik sla niet meer
zie zitten
zaai ik pitten
voor radijs

©1998